Knie

Een soort levende versnellingsbak, zo functioneert de knie eigenlijk. In de loop van de groei en (sport-)carrière past de knie zich aan de belasting ervan aan.

In de ideale situatie is er altijd een vorm van evenwicht tussen krachten die op de knie inwerken en de sterkte van de kniestructuren. Dat geldt ook voor de aanmaak en afbraak van de knieweefsels.

meniscus.jpg

Stabiliteit

Met de knie wordt ook vaak het gebied bedoeld van het been dat het gewricht insluit en steunt, dus ook het omliggend weefsel. De bewegingen van de knie verlopen soepel door middel van kraakbeen. Het dunne elastische weefsel, kraakbeen, beschermt het bot en zorgt dat de gewrichtsvlakken gemakkelijk over elkaar kunnen glijden. Men kan twee soorten gewrichtskraakbeen onderscheiden in de knie, namelijk: fibreus kraakbeen (meniscus) en hyalien kraakbeen.

De voor-achterwaartse stabiliteit in het kniegewricht wordt vooral bereikt door kruislingse banden (de kruisbanden) die boven- en onderbeen verbinden. De zijwaartse stabiliteit wordt gewaarborgd door de collaterate banden. Een soepel scharnieren van bovenbeen ten opzichte van het onderbeen wordt bereikt doordat de knie omvat is in een kapsel en door de aanwezigheid van kraakbeenschijven tussen de scharnierende botdelen (de menisci).

Slijtage

Dit kraakbeen slijt met de jaren, maar ook door belasting. Kraakbeen heeft slechts een gering vermogen om zichzelf te herstellen, doordat er in dit weefsel geen bloedvaten aanwezig zijn die voor de stofwisseling zorgen. Een groot deel van het herstelweefsel zal uit fibreus kraakbeen ontstaan. Fibreus kraakbeen is van mindere kwaliteit dan het hyaliene kraakbeen. Hierdoor zullen na verloop van tijd opnieuw scheurtjes en barsten in het kraakbeen ontstaan.

Afbeelding afkomstig uit Prometheus Anatomische Atlas - Michael Schulke et. al. 2005